In dit onthullende boek beschrijft Stadermann hoe artsen, apothekers en verpleegkundigen het zwijgen werd opgelegd - en hoe onze grondrechten werden geschonden.
Toen de coronapandemie uitbrak, tastten veel huisartsen in het duister. Het officiële advies was summier: neem paracetamol en wacht af. Pas als het écht niet meer ging, mocht je naar het ziekenhuis.
Een kleine groep artsen koos echter een andere weg. Zij schreven buiten de richtlijnen om bestaande, beproefde medicijnen voor. Tot hun eigen verbazing herstelden veel patiënten. Toch werden deze artsen publiekelijk weggezet als ‘kwakzalvers’. Ook werd het hen verboden zich kritisch uit te laten over de vaccins.
In dit onthullende boek beschrijft Stadermann hoe artsen, apothekers en verpleegkundigen het zwijgen werd opgelegd - en hoe onze grondrechten werden geschonden. Hij baseerde zich op talloze officiële documenten, mailwisselingen met o.a. de Inspectie, en sprak met meer dan tachtig direct betrokkenen: huisartsen, medisch specialisten, apothekers, een ambulancechauffeur, een verloskundige, en met voormalige patiënten of hun nabestaanden.
Hun vaak onthutsende, soms hartverscheurende verhalen vormen de ruggengraat van een boek dat confronteert en wakker schudt. Een indringend verslag van een medische en morele crisis. Voor wie durft te vragen: wat is hier écht gebeurd?
Frank Stadermann is oud-advocaat en sprak zich al heel vroeg openlijk uit tegen de coronamaatregelen.
Het boek bevat een voorwoord van mr. Gideon van Meijeren (Lid van de Tweede Kamerfractie der Staten-Generaal, Forum voor Democratie), met de titel Verboden te wantrouwen.
Wát een tijd om in te leven. ‘Coronatijd’. Er werd nog lacherig over gedaan toen het begon met een ‘dringende oproep om per direct geen handen meer te schudden’ (“U kunt vanaf nu voetzoenen of elleboog stoten, wat u wilt.”, aldus toenmalig minister-president Rutte). Het groeide uit tot de meest vergaande inbreuken op fundamentele vrijheden en grondrechten die we in de naoorlogse geschiedenis hebben meegemaakt. Afstandsregels, maximale groepsgroottes, mondkapjesverplichtingen, winkel- en schoolsluitingen, quarantaines en avondklokken. Velen dachten dat het niet erger kon, totdat met de invoering van het coronatoegangsbewijs ook artikel 1 van de Grondwet eraan moest geloven en expliciet onderscheid werd gemaakt tussen bevolkingsgroepen: gevaccineerden en ongevaccineerden. Eersterangs- en tweederangsburgers.
Bedrijven gingen ten onder, ouderen stierven in eenzaamheid, kinderen werden beroofd van hun jeugd, families vielen uiteen, vriendschappen sneuvelden. Het ging gepaard met ongekende censuur van dissidente geluiden en buitensporig politiegeweld tegen wie vreedzaam in verzet kwam. De pijn en het verdriet die in deze turbulente tijd zijn veroorzaakt, zogenaamd om ons te ‘beschermen’, zijn met geen pen te beschrijven. De diepe wonden die in de samenleving zijn geslagen, zijn tot op de dag van vandaag niet genezen.
In de loop van de coronacrisis, of beter gezegd: het coronaschandaal, heb ik Frank Stadermann leren kennen. Een man die er niet voor koos om comfortabel weg te kijken, maar zich met hart en ziel inzette voor de waarheid en rechtvaardigheid. Veelal op de achtergrond, onvermoeibaar en met een onwankelbaar moreel kompas, stelde hij zijn juridische kennis en gedrevenheid ten dienste van anderen. Hij wilde er niets voor terug. In een tijd waarin zwijgen veiliger was dan spreken, koos hij ervoor belangeloos zijn nek uit te steken.
Met het boek dat voor u ligt, levert Stadermann opnieuw een belangrijke bijdrage aan de strijd voor gerechtigheid. Op treffende wijze wordt blootgelegd hoe in tijden van crisis de maatschappij – inclusief politici, de media en rechterlijke macht – grotendeels kritiekloos een destructief overheidsnarratief volgde. Het beschrijft de schaamteloze heksenjacht op de weinige artsen en apothekers die wél de moed hadden hun geweten te volgen. De lezer zal soms verbijsterd zijn over de feiten, soms woedend over het onrecht en soms verdrietig over het verraad door de instituties. Verwacht niet louter een terugblik op een tijd die achter ons ligt, maar bovenal een indringende waarschuwing dat wat gisteren gebeurde, morgen weer kan gebeuren. Een cruciaal document dat dwingt tot nadenken over hoe we als samenleving omgaan met afwijkende geluiden, vooral wanneer er veel op het spel staat.
Zorgwekkende trend
Wie denkt dat de vrijheid van meningsuiting vooralsnog weer hersteld is, vergist zich. Sinds het afschaffen van de laatste coronamaatregelen is de aanval op overheidscritici onverminderd hard voortgezet en zelfs in een stroomversnelling geraakt. Zoals het een totalitaire staat in wording betaamt, worden andersdenkenden in toenemende mate gestigmatiseerd en gecriminaliseerd. Dit komt het sterkst tot uitdrukking in de strijd die de overheid sinds enkele jaren voert tegen het zogenaamde ‘anti-institutioneel extremisme’.
Medio 2023 bracht de AIVD een publicatie uit over dit fenomeen, dat als een bedreiging van de democratische rechtsorde wordt beschouwd. Volgens de AIVD zou de voornaamste dreiging bestaan uit de verspreiding van het narratief over een kwaadaardige elite: “Het narratief ondermijnt de democratische rechtsorde door een beeld te schetsen over het bestaan van een kwaadaardige elite dat feitelijk onjuist is. Daarmee tast het narratief het vertrouwen in de wetgevende, uitvoerende, en/of rechtsprekende macht, de ‘traditionele’ media en wetenschap onterecht aan, en ondermijnt het langzaam maar zeker de legitimiteit van deze instituties.”
Interessant aan deze passage is dat de geheime dienst hier zeer stellig beweert dat het beeld over het bestaan van een kwaadaardige elite ‘feitelijk onjuist’ is. Het afnemende vertrouwen in de instituties zou daarom ‘onterecht’ zijn. Los van het feit dat deze beweringen als vaststaand gegeven worden beschouwd en niet nader worden onderbouwd, roept het de vraag op of het wel de taak van de AIVD is om te oordelen over de juistheid van boodschappen in de samenleving. Zou een inlichtingendienst niet apolitiek moeten zijn en feitelijk duiding moeten geven?
Opmerkelijk genoeg erkent de dienst zelf ook dat kritiek op instituties essentieel is voor het functioneren van een democratie en stelt hij terughoudend te zijn in het beoordelen van de juistheid daarvan. Toch acht de dienst het in specifieke gevallen noodzakelijk om wel degelijk een oordeel te vellen over de juistheid van bepaalde boodschappen, om te bepalen of deze de rechtsstaat ondermijnen. Dat de AIVD zichzelf beschouwt als een alwetende autoriteit die kan beoordelen welke politieke opvattingen ‘juist’ en ‘onjuist’ zijn, nota bene zonder dit oordeel transparant en deugdelijk te onderbouwen, is volstrekt onacceptabel. Het druist niet alleen in tegen de grondbeginselen van een open samenleving, maar ook tegen zijn eigen geformuleerde principes van terughoudendheid en het belang van kritiek.
Het wringt des te meer omdat de AIVD onderdeel is van dezelfde overheid, die volgens aanhangers van ‘het kwaadaardige-elite-narratief’ gewantrouwd moet worden. De dienst is zowel formeel als feitelijk niet onafhankelijk, maar wordt gecoördineerd en aangestuurd door de premier respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken. Vanzelfsprekend zullen deze entiteiten te allen tijde ontkennen dat er redenen zijn hen te wantrouwen of te twijfelen aan hun goede bedoelingen. Zelfs wie niet gelooft dat we op dit moment worden bestuurd door een kwaadaardige elite, moet de enorme risico’s inzien van deze merkwaardige gang van zaken. Niemand kan immers uitsluiten dat er altijd een kans bestaat dat hier in de toekomst verandering in komt.
De AIVD erkent dat het louter aanhangen van een bepaald gedachtegoed nog niet als ‘extremisme’ kan worden beschouwd. Voordat ik hierop inzoom, is van belang om scherp voor ogen te hebben wat van oudsher het fundamentele onderscheid is tussen ‘activisten’ en ‘extremisten’. Grofweg kan worden gesteld dat activisten gebruikmaken van legale middelen, terwijl extremisten ook illegale middelen inzetten. Dit klassieke onderscheid wordt door de AIVD verlaten in zijn rapport over het zogenaamde anti-institutioneel extremisme. Daarin valt te lezen dat sprake is van extremisme, wanneer het gedachtegoed leidt tot “het bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen”.
De vraag is dus wat moet worden verstaan onder ‘niet-gewelddadige activiteiten die de democratische rechtsorde ondermijnen’. Als voorbeeld hiervan noemt de AIVD in zijn Jaarverslag 2022 onder andere ‘het verspreiden van de boodschap dat je de overheid en andere democratische instituties niet kunt vertrouwen’. Laat dit even tot u doordringen. Gij zult de overheid vertrouwen, want doet u dat niet en draagt u dat uit, dan verricht u een ‘ondermijnende activiteit’ die als ‘extremistisch’ wordt aangemerkt. In de later verschenen Nationale Extremismestrategie 2024-2029 wordt hier nog een schepje bovenop gedaan. Hierin valt te lezen dat extremisten de democratische rechtsorde onder andere ondermijnen door ‘het zaaien van twijfel over zaken waar binnen de wetenschap weinig onenigheid over bestaat’.
Bovengenoemde voorbeelden van ‘ondermijnende activiteiten’ zijn uitdrukkelijk niet strafbaar of anderszins illegaal en zouden daarom moeten worden aangemerkt als activisme, iets dat geen aandachtsgebied is van de AIVD. Toch is de inlichtingendienst erin geslaagd om zodanig met definities te goochelen, dat deze vreedzame en legale activiteiten nu als extremisme worden beschouwd. Dit opent de deur voor de dienst om in het geheim en gewapend met tal van zeer vergaande bevoegdheden onderzoek te verrichten naar personen en organisaties die zich hieraan schuldig zouden maken.
Een zeer zorgwekkende trend waarvan het einde nog niet in zicht is. Zo is ten tijde van dit schrijven het voorstel voor de ‘Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties’ (Wtmo) in behandeling bij de Eerste Kamer. Op grond van deze voorgestelde wet kunnen ‘ondermijnende activiteiten’ – als voorbeelden noemde de minister het houden van lezingen of toespraken, het uitbrengen van tijdschriften of nieuwsbrieven en het verspreiden van pamfletten – straks worden verboden.
Dat brengt me weer bij het voorliggende boek. Ik roep u op om uzelf tijdens het lezen de volgende vragen te stellen. Kan worden beargumenteerd dat met dit boek de boodschap verspreid wordt dat de overheid of andere democratische instituties niet vertrouwd kunnen worden? Of kan worden beargumenteerd dat twijfel wordt gezaaid over zaken waar binnen de wetenschap weinig onenigheid over bestaat? Is het antwoord ‘ja’, dan kan het verspreiden van dit boek op enig moment zomaar worden aangemerkt als een ‘ondermijnende activiteit’ en derhalve door de overheid worden verboden.
Verzet
De zittende macht is duidelijk op ramkoers en vastberaden om alle dissidente geluiden in de samenleving de kop in te drukken. Het zou zogenaamd strikt noodzakelijk zijn om de rechtsstaat te beschermen. Maar was het hele idee achter de rechtsstaat niet dat burgers beschermd worden tegen de macht van de overheid, in plaats van de almachtige overheid te beschermen tegen burgers? Een overheid die werkelijk de belangen van het volk dient, hoeft het volk niet te vrezen. Zij zou kritiek eenvoudig kunnen weerspreken en die niet met juridische trucs hoeven te verbieden.
De paniekerige pogingen om kritische burgers het zwijgen op te leggen, verraden namelijk dat het systeem op losse schroeven staat. Het vertrouwen brokkelt af. Dat is niet het gevolg van ‘complottheorieën’, maar van falend beleid dat tegen de belangen van het volk indruist. Behalve het coronaschandaal kan worden gewezen op de asielproblematiek, de toeslagenaffaire, de gaswinning in Groningen, of de klimaat- en stikstofmaatregelen. Stuk voor stuk dossiers die bol staan van de aantoonbare leugens en onwaarheden.
In plaats van het eigen functioneren kritisch te bezien, kiest de overheid ervoor om ‘ondermijnende activiteiten’ – die voorheen golden als fundamentele rechten – te bestrijden. Deze aanpak zal op termijn het wantrouwen niet doen afnemen, maar juist voeden. Steeds meer mensen zien in dat het systeem er niet voor hen is. Pas dan ontstaat er ruimte voor een nieuw, eerlijk en rechtvaardig systeem. Voor mij is niet de vraag óf dat gaat gebeuren, maar wanneer. De geest is uit de fles en gaat er niet meer in.
Laten we alles op alles zetten om die dag zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. Ik sluit af met de woorden van verzetsman Van Randwijk, die na de Tweede Wereldoorlog waarschuwde voor nieuwe vormen van tirannie: “Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht…”
mr. Gideon van Meijeren Lid van de Tweede Kamerfractie der Staten-Generaal Forum voor Democratie September 2025
De cover intrigeerde me dusdanig dat ik het boek vrij ‘blanco’ had aangeschaft. Maar vanaf het moment dat ik het opende, kon ik niet stoppen met lezen. Wat een prachtige inzichten & mooie verhalen. En de foto’s/beelden ter begeleiding – TOP!